Kardia slaapt
alsof de wereld
haar nooit heeft verraden.
Alsof deuren
niet kunnen dichtslaan.
Alsof stemmen
geen oorlog dragen.
Soms kijk ik naar haar
en vraag me af
hoeveel zachtheid
een mens mag lenen
voor het weer wordt afgenomen.
Zij kent mij als degene
die haar eten geeft,
de riem vastmaakt,
de nacht controleert
voor zij gaat liggen.
Maar ik ken haar anders...
Als het dier
waaraan ik voorzichtig
mijn laatste warmte verpacht.
Want zij moet eten.
En ik...
heb iemand nodig
aan wie ik mijn zachte kant
wil toevertrouwen.
Zonder schaamte.
Zonder vrees.
Dus wandelen wij
door velden
die niets terug vragen
voor onze gepachte liefde.
Twee zielen.
De ene
op vier poten.
De andere
steeds lerend
hoe trouw voelt
wanneer het niet pijn doet.
Patriq Scrivers.
Ik heb mannen zien sterven
met angst in de ogen.
Of ze nu baden naar Mekka,
om hun hals een kruis droegen,
of nergens meer in geloofden
toen het schieten begon.
Bloed kent geen zijde.
Een kogel vraagt niet
naar afkomst of gebed.
In Gaza huilt een moeder
zoals in Oekraïne.
In Israël zoekt
een vader naar familie
in de restanten van het leven.
En ergens in Rusland
krijgt een 12 jarige jongen
een medaille voor een oorlog
die hijzelf niet bedacht.
Wij noemen elkaar volkeren,
grenzen, kleuren, kampen.
Maar onder de huid
is en blijft de mens hetzelfde,
breekbaar vlees
dat verlangt naar rust.
Toch schreeuwen wij op pleinen
alsof haat een oplossing draagt.
We spuwen vuur naar vreemden,
naar vluchtelingen,
naar mensen die met lege handen
en gestolen zielen
voor een hek staan
en hopen dat iemand
hun naam nog menselijk uitspreekt.
De wereld lijkt kleiner geworden,
maar onze angst groeit.
Iedereen verdedigd zijn waarheid.
alsof God uitsluitend
één taal zou spreken.
Misschien is dat
ons diepste litteken,
dat wij elkaar blijven verdelen
terwijl iedere oorlog bewijst
hoe weinig verschil er bestaat
tussen de doden.
Patriq Scrivers.